relationeel denken

Ik voelde me plotseling bedreigd

Twee weken geleden las ik:

Het is duidelijk dat de mensheid zich in een benarde situatie bevindt.

De schrijver, Harry Kunneman, had het over al dat nieuws waar we de laatste tijd mee overspoeld, worden.

Maar dan benoemde hij een ‘bemoedigende ontwikkeling’.

Wat is die dan?

de opkomst van relationeel denken en handelen.

Hij legde dit zo uit:

Het algemene kenmerk van dit relationele denken en handelen is het weg bewegen van de elementaire eigenschappen en van reductionistische verklaringen, naar de complexiteit van relaties.

Hij vindt dit ook terug in de wereld van de zorg en de GGZ.

Ik ook

Ik heb daar ook iets mee.

Zo is de presentietheorie een houvast in mijn werk, zeker wanneer ik mensen opzoek in hun leefwereld. En de presentiebenadering noemt men een vorm van ‘relationele zorg’.
(Omdat die zo sterk inzet op het je betrekken op het heen-en-weer tussen de ander en jezelf om zo tot afgestemde zorgervaringen te komen.)

Ik heb ook nog eens mijn hart verloren aan de variant van narratieve therapie die ‘Relational Narrative Dialogical approach’ heet.
Relational.
Daar heb je het weer.

Een tijdje geleden was ik aan het lezen geraakt in een boek van een Latijns-Amerikaans antropoloog en die had het over ‘radicale relationaliteit’:

Let me introduce the notion of radical relationality. It refers to the fact that all entities that make up the world are so deeply interrelated that they have no intrinsic, separate existence by themselves.

De schrijver blijft in dat boek op die nagel kloppen.
Die passages wonden me op.

Ik word erdoor aangetrokken, door dat ‘relationele’.

Onveiligheid – onveiligheid – onveiligheid

Maar ik kan ook afkeer voelen wanneer men erg idealistisch-romantisch schrijft over dat relationele.
Ontroerd en opgewonden soms, maar evengoed geërgerd en sceptisch wanneer men de pen vol heeft van dat relationele.

Ik had dat ook toen ik deze passage las, ook weer bij Kunneman:

Dergelijke verrijkende, complexiteit-openende relaties staan in het teken van gelijkwaardigheid, van wederkerigheid en van het samen met vallen en weer opstaan floreren, inclusief het onbevreesd aangaan van onvermijdelijke spanningen en conflicten en het waar nodig opzoeken van leerzame wrijving.

Zo’n uitdrukkingen nodigen een mens uit om zich ermee te vereenzelvigen
Ze hebben iets meeslepends.

’Gelijkwaardigheid, wederkerigheid en samen met vallen en weer opstaan floreren’

Ergernis.

’Onbevreesd aangaan van onvermijdelijke spanningen en conflicten’

De ergernis die ik voel heeft o.a. hiermee te maken:

er wordt iets weggedaan.

Wat hier niet gezegd wordt, wat hier geen taal krijgt, is

hoe onveilig wij, mensen, ons kunnen voelen, zeker als het op dat relationele aankomt.

De intensiteit van bedreigdheid die voor mij samenhangt met ‘de relatie aangaan’, ik vind dat die zelden benoemd wordt.

‘Onbevreesd aangaan van onvermijdelijke spanningen en conflicten’
Nee, dat zit er niet in!
Die ‘onvermijdelijke spanningen, potentiële en reële conflicten’, die ervaren we als intens bedreigend.
(Er is geen training in communicatie, of intens therapeutisch traject dat dit potentieel van je onveilig/bedreigd voelen kan wegnemen.)

Dit is mijn stelling:

Het on-wegneembaar potentieel dat wij met ons meedragen,
om ons in relatie tot elkaar onveilig/bedreigd te voelen,
sociale wezens als we zijn,
dit is een belangrijke bron van krampachtigheid, van sterke oordelen, van verklaringen die we fabriceren over anderen en onszelf, van sterke gevoelens van wie ‘de schuldige’ is.

Waar je geen taal voor hebt

Hier komt nog een gedachte waar ik in geloof:

Als we geen taal hebben om ervaringen van vermindering van veiligheid of toename van bedreigdheid te benoemen, dan kunnen we ze niet goed herkennen, en dan zijn we extra kwetsbaar voor een hoop krampachtigheid en narigheid.

(Dan gaat het zeker niet in de richting van ‘verrijkende, complexiteit-openende relaties’)

Misschien moeten de denkers die het relationele een warm hart toedragen, het veel meer hebben over die ervaringen van onveiligheid. En niet de hele tijd over hoe mooi het zou zijn als we meer dít en minder dát zouden doen.

Han Voskuil, een schrijver waar ik verslaafd aan geworden ben, die doet dat!

Die schrijft in zijn dagboeken vaak over zijn ervaringen van bedreigdheid, wanneer hij voelt dat daar een sleutel ligt om zijn reacties te kunnen begrijpen.

Een groot deel van de vrijdag en de hele zaterdag voelde ik me na een telefoongesprek met Jager Gerlings onzeker en bedreigd.

Ze voelde zich bedreigd. Ik begrijp best dat ze zich bedreigd voelt. Ik voel dat ook, maar we reageren daar altijd verschillend op.

Ik heb een hekel aan Blok. Vandaag was hij terug van vacantie, even poenig als hij weggegaan was, niets geleerd. Ik had moeite om hem aan te kijken zo groot was mijn afkeer. Ik voelde dat ik in een afwerende houding verstarde en trachtte die weer weg te nemen door belangstelling te tonen, wat ik weer als karakterloosheid voelde en meteen afdempte.

Wie denkt dat ik me toen bevrijd voelde, vergist zich. Ik keek op van het blad, zag de stapels werk op mijn bureau en voelde me plotseling bedreigd. Struikelend over mijn zenuwen begon ik een stapel weg te werken, naar alle kanten papieren verspreidend, terwijl de bouwstoffen voor het artikel nog om me heen lagen. Ik voelde me alsof ik uit een koker een geweldige lege ruimte in kroop, en ik begreep ineens waarom mensen zich willen concentreren, specialiseren, één onderwerp hebben dat hen bezighoudt. Het gebouw van de wetenschap is gegrondvest op angst.

In bed bedacht ik dat daarin misschien de sleutel ligt tot mijn gedrag. Ik heb bijna voortdurend het gevoel – niet alleen op zo’n congres, maar op zo’n congres nog sterker – dat ik niet gewenst ben. Dat maakt me gevoelig voor aandacht, voor betuigingen van sympathie.

Als men mij zou vragen wat mij dwars zit en ik zou mijn hart peilen, dan zou ik daar onveranderd het contact met andere mensen vinden, met Ter Linden, maar vooral met de mensen op het Bureau. Ik noem dat ziekelijk. Je zo voortdurend bedreigd te weten, dat is niet normaal, al is het natuurlijk wel verdomd reëel.

Achter die behaagzucht zit een veel dieper gaand gevoel van bedreigdheid. Ik wil aardig gevonden worden om me veilig te voelen, maar zodra iemand mij aardig vindt, voel ik me nog niet veilig. Er zijn heel weinig mensen bij wie ik dat gevoel bedreigd te zijn niet heb, en van die mensen kan het me weer niet schelen of ze me aardig vinden, integendeel, ik verwacht juist van hen de grootst mogelijke objectiviteit.

(Al deze stukjes komen uit ‘Uitzicht op geluk’)

Enkele experimentjes

Doe eens een experimentje. Of een paar.

Probeer eens op te merken, in relatie tot een cliënt of collega’s, een ervaring van een vermindering van veiligheid.

  • Kan je die opmerken, of niet?
  • (Probeer een paar keer.)
  • Als je zo’n vermindering opmerkt, let eens op wat je dan doet of geneigd bent te doen.
  • Kan je woorden vinden voor wat in de context bijdroeg aan de vermindering van veiligheid die je ervaarde?
  • Kan je verwoorden, voor jezelf of tegenover een vertrouweling, wat je ervaring was? Waarin je je bedreigd voelde?
  • Hoe is het om daar woorden aan te geven? Roept dat schaamte op, angst, een gevoel van falen, iets anders?

Dit kan vruchtbaar materiaal opleveren voor een gesprek met een supervisor.

Fantaseer ook eens dat je wat je zo ontdekt op je teamvergadering brengt: ’In de vorige sessie met X merkte ik een onzekerheid bij mezelf toen die … Ik heb dan uit ongemakkelijkheid … Dat had volgens mij als effect …’

Wat merk je bij jezelf als je je dat voorstelt?
Wat gebeurt er met je ervaring van veiligheid?

Boeiende experimentjes gewenst!