relationeel denken

Oplossen versus relatie 1-0

Hoe komt het dat wij relationeel zo onbeholpen, zelfs beschadigend, kunnen handelen?

In ‘Ik voelde me plotseling bedreigd’ kwam ik tot deze gedachte:

Het on-wegneembaar potentieel dat wij met ons meedragen,
om ons in relatie tot elkaar onveilig/bedreigd te voelen,
sociale wezens als we zijn,
dit is een belangrijke bron van krampachtigheid, van sterke oordelen, van verklaringen die we fabriceren over anderen en onszelf, van sterke gevoelens van wie ‘de schuldige’ is.

Dit verklaart het volgens mij voor een stuk.

Stevig-willen

Sinds dat schrijfsel ben ik nog iets anders scherper gaan zien, iets wat mijn/ons vermogen om relationeel sensitief te handelen in de weg zit.

Ik betrapte er mezelf op tijdens het dagboekschrijven.

Hoe sterk ik op een bepaalde uitkomst uit kan zijn.

Ik ga wel de relatie aan, maar in dat ‘aangaan’ speelt dan een ‘stevig willen’ door.

De stevigheid van dat stevig-willen kan me verrassen.
Ik zie het vaak niet aankomen,

maar ineens bevind ik me op terrein waar ik me pijnlijk teleurgesteld kan voelen, verontwaardigd, miskend, ‘entitled’, hopeloos, als de ander anders reageert dan de agenda die me drijft.

Willen-oplossen versus relatie: 1-0

Wat gebeurt er dan?
Het gaat soms zo:

  • Ik ervaar iets wat volgens mij niet goed zit of niet de goede richting op gaat.
  • Ik ervaar dit als een onbehagen of een onwillekeurig denken aan de kwestie.
  • Ik krijg een idee. (Of krijgt het idee mij?)
  • Het idee dient zich aan als een oplossing. (Dringt zich op als een oplossing?)
  • Het belooft het verdwijnen van het onbehagen.
  • Het idee is tegelijkertijd een gedrevenheid.
  • Een en al beweging, gedreven door de hoop op oplossing van het onbehagen, gedreven ook door angst, ‘communiceer’ ik nu iets aan die ander.
  • Ik zeg iets, schrijf iets, breng iets, vraag iets, suggereer iets, stel iets voor, leg iets uit.
  • Maar die ander bevindt zich in een ander universum, en reageert vandaaruit.
  • Mijn ‘oplossing’, mijn goed idee, dreigt in het water te vallen, ligt al te spartelen in het water, verslikt zich, dreigt te verdrinken.
  • Er ontplooit zich nu een sterke reactiviteit in mezelf.
  • Die triggert een reactiviteit bij de ander.

Maar evengoed kan het zo gaan:

  • Ineens, zonder dat ik ook maar iets heb zien aankomen, bevind ik me in een universum, heftig van teleurstelling, verontwaardiging, geshockeerdheid, miskendheid, ‘entitlement’, wanhoop, razernij.
  • In dat universum krijgt de ander de gedaante van een vijand.

Ik weet niet hoe het dan met jou gaat, beste lezer, maar op zulke ogenblikken ben ik niet op mijn best, relationeel gezien.

Het willen heeft de overhand genomen, én de waanbeleving dat de ander mijn vijand is.

In zo’n situatie kan het 1-0 worden.
(1 voor het ‘willen-oplossen’, 0 voor het relationele.)

Oplossen-versus-relatie in de zorg

Als we iets ervaren als een probleem, dan kan heel ons organisme gezogen worden naar ‘de’ oplossing.
 Komt er iets oplossingsachtigs in ons op, dan is er meteen de drive om het te realiseren.
De relatie met de ander verdwijnt op de achtergrond.
 Helemaal of relatief.
Dit gebeurt in een cultuur die ‘oplossen’ een hoge status geeft.
Hoger dan het cultiveren van relaties.

Het neemt ons ook soms over als zorggever/hulpverlener.
En zo vindt soms zorg plaats die door de ander ervaren wordt als niet-zorg, als het-omgekeerde-van-zorg.

Playing god with me.

Deze uitdrukking gebruikte, enkele dagen geleden, een mevrouw, toen ze bepaalde manieren van doen beschreef van hulpverleners, in de loop van de voorbije, precaire, jaren.

Ze vertelde me dat ze elke dag gekweld wordt door herinneringen aan zulke momenten.

Ik geloof haar.

Experiment

Ik heb hier geen oplossing voor, voor een hoge graad van willen-oplossen die ten koste gaat van de relatie.
Ik heb er niks flashy over te zeggen.

Ik vind het wel goed als ik me er zorgen over maak dat ‘het’ weer zou kunnen in me varen.

Ik detecteer ‘het’ soms in me.
Geef er taal aan tijdens mijn dagboekschrijven.
Ik vraag mezelf dan vragen, zoals:

Hoe ga ik me waarschijnlijk voelen als X negatief reageert?
Waarom?

Dit kan zeker geen kwaad, daar ben ik zeker van.

Ik vraag me nu wel iets af over teamvergadering-momenten waar we met zijn allen denken over stukjes oplossing voor onze cliënten of zorgontvangers.
Stel je voor dat we dit eens zouden proberen:

Na de teamvergadering, gewapend met ons plan, gaan we het gesprek aan met onze cliënt(en):

Beste cliënt, ik denk dat ik een keigoed idee heb over wat jij zou kunnen doen. Ik ben er echt enthousiast over. Maar misschien is het toch maar een matig idee, of zelfs een slecht.
Mag ik het uit de doeken doen?
Wil je dan goed letten op hoe het aankomt bij jou?
Ik wil dat dan heel graag horen, ook als je het keislecht vindt, en heel goed snappen.
Dan heb ik iets om over na te denken.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *