Je verbinden met de ander: Yeah but, no but, yeah but, no but …

Maak verbinding

Ik volgde een keer een workshop van Jim Wilson.
Hij moedigde de deelnemers aan om echt verbinding te maken met mensen (cliënten).
Connect.
Mensen voelen dat en het maakt een groot verschil.
(Wilson zijn recentste boek heet ‘Creativity in Times of Constraint’)

Ik dacht:

Maar hoe verbind je je met iemand wanneer aspecten van het leven van die persoon je afstoten?

Afstoten omdat ze bv ingaan tegen je (sterke) voorkeuren, je waarden, je ideeën over hoe dingen zouden moeten zijn of lopen.
Of omdat je niet weet wat je kan doen.

Jessica praat snel, van de hak op de tak en ik denk ‘speed?’ en Freddy, haar partner – die haar soms mishandelt en bedreigt – vraagt wat hij van de bakker moet meebrengen en ze zegt ‘koeken’ en ze vraagt haar zoontje en zijn vriendje naar hun juf en ze is zo verschrikkelijk moe en dat ze wel kan blijven slapen en dat haar rug pijn doet en dat ze een inspuiting gekregen heeft en dat ze een brief van de sociale verhuurmaatschappij te laat gekregen heeft en nu staat ze weer onderaan op de lijst en over 2 maand moeten ze uit hun huis en …
Ik (Johan) ga kopje onder. Het gaat te snel. Teveel problemen en toestanden die ook nog eens nooit stilstaan.
Ik weet: dit is ook het leven. Voor velen.
Ik wéét het.
Maar mijn lijf spant zich op.
In mijn kop is het troebel.

Hoe doe je dat op zó’n moment: je verbinden met de ander? Als je lijf zich opspant en het troebel is in je kop?

Hondenpoep en toewijding

Andries Baart, de vader van de presentie-theorie, heeft jarenlang het werk van een aantal pastores in achterstandsbuurten bestudeerd: buurten

waar vaak armoede en werkloosheid heersen, waar langdurige afhankelijkheid van uitkeringen regel is, waar woningen dikwijls van slechte kwaliteit zijn en de veiligheid gering is, waar de leefsfeer als beroerd wordt ervaren, de inter-etnische verhoudingen soms gespannen zijn.

Hij beschrijft hoe zij de basis voor hun werk leggen in een ‘exposure-periode’.
Exposure betekent ‘je blootstellen aan’: Je stelt je bloot aan mogelijk agressief inwerkende invloeden, waarbij de uitkomst niet tevoren vaststaat.
Aan wat stelden die pastores zich dan bloot?

Om te beginnen aan de buurt.
Weken en maanden wandelen ze door de buurt en kijken ze aandachtig rond.

Zij wandelt op deze manier gedurende ettelijke maanden en zorgt ervoor dat dat in alle denkbare omstandigheden gebeurt: in de ochtend, middag en de avond, bij goed weer en slechte weer, op werkdagen en in het weekend, als het vuil wordt opgehaald, als zij moe is, geïrriteerd of goed geluimd. Zij bezoekt de snackbar, het clubhuis, de buurtwinkel, de sportzaal, maar verkeert ook onder de viaducten, in de portieken, de abri’s [= wachthuisjes], op de speelplaatsen en in de straatjes die er eng of onaantrekkelijk uitzien. Ze maakt zich de kleuren bewust die ze ziet, de auto’s, de graffiti, de hondenpoep, de kamerplanten, de stickers op de deur, het aantal bellen. Ze realiseert zich wie ze ziet: de mannen en vrouwen, de opgeschoten jeugd, de kinderen, de yuppen (ja, die ook), de functionarissen, de kleine luyden, de mankepoten, de volwassenen die rondhangen, tv-kijken en hun tijd doden. Ze laat alles wat er gezegd wordt zo goed mogelijk tot zich doordringen.

Blootstelling aan de buurt dus.
Tijdens díe blootstelling stellen ze zich óók bloot aan alles wat dit bij hen oproept: oordelen, afkeer, medelijden, romantisering, de neiging om vooral wat te gaan dóén, vluchtreacties, de drang om te gaan theoretiseren en verklaren.
Daarbij moeten de pastores hun hooggestemde ideeën, idealen, verlangens, verwachtingen, dadendrang tussen haakjes plaatsen.

Waar is dit goed voor?

Zo kan de buurtcultuur, zo kunnen de buurtbewoners doordringen tot de pastor.

De pastores reflecteren op wat op hen afkomt, van buiten en van binnenuit.

Waarom wekt dít afschuw, dát medelijden, waarom wil ik hier weg, waarom zag ik dat niet en waarom ben ik zo benauwd voor zus of zo?

Dit proces genereert – geleidelijk – een grotere openheid voor de stem van de buurtbewoners, voor ‘het leven, de paradoxen, de liefdes, de vitale belangen en het lijden van de buurtbewoners’.
En die openheid transformeert de oorspronkelijke goeie-intenties-toewijding tot een toewijding die aansluit bij de concrete mensen en bij wat die ervaren als een (wenselijk) goed.

Voor zo’n exposure-periode wordt in het begin bewust veel tijd uitgetrokken. Maar eigenlijk wordt ze nooit echt afgesloten. Steeds opnieuw kan het leven de pastores blootstellen aan invloeden die hen geweld aandoen. Die hun gevoeligheden, waarden, voorkeuren, engagement geweld aandoen.

(Je kan over de presentietheorie van Andries Baart véél meer lezen in ‘Een theorie van de presentie’.)

Exposure dus.
Is dat een weg naar verbinding wanneer vormen van afkeer (angst, ergernis, frustratie, …) opgewekt worden?

En dat blootstellen dat je dan doet, kan je daar kwaliteit in brengen?
Kan je je goed blootstellen? Versus minder goed?

We spreken af in het station. Sigrid is opnieuw weggegaan met haar 2 dochtertjes. Weg van Sven. Het is weer van dat geweest. Ze praat luid. Opgejaagd. Mensen kijken naar ons. Ze houdt sommige vragen af. Ze zegt niet waar ze nu tijdelijk verblijven. Ze vraagt me om mee te komen naar huis, dan kan ze kleren gaan halen voor de kinderen en een douche nemen. Alleen durft ze het niet. ‘Hij’ is waarschijnlijk thuis. Als ik erbij ben, zal hij wel niet …
De schrik slaat me om het hart. Ik zeg haar dat ik dat niet zie zitten. Dat ik bang ben voor die situatie. Dat er geweld kan van komen. Ze wordt razend, ze is diep teleurgesteld in me en dat schreeuwt ze uit. De mensen rondom ons… Ik ga een beetje dood. ‘Presentie’, denk ik, en ’verdraag dit maar, Johan’. Ergens in de loop van de volgende uren dringt het dieper tot me door hoe belangrijk het voor Sigrid was dat ik met haar mee zou gaan.

Spin en spieren

Ergens in de jaren 90.
Een zaterdag.
Ik volg de opleiding gedragstherapie in Leuven.
We hebben een workshop over exposure. Omer Van den Bergh geeft die.
Het wordt een van de beste workshops ever.
Hij heeft een assistent mee.
Die zit in een pot.
Een spin.

Hij nodigt me uit om me bloot te stellen aan de spin én aan het onbehagen en de angst die erdoor opgewekt worden.

Kijk naar de spin.
Wat vind je het engste om naar te kijken?
Kijk er maar naar.
Hoeveel spanning ervaar je?
Waar in je lijf ervaar je de spanning?
Voel de spanning. Voel het kloppen van je hart. Voel het zweten. En kijk naar de spin.
Besef dat je niet weet wat de spin gaat doen.
Probeer eens de spieren van je armen en benen wat langer maken, ze een beetje strekken? Goed zo.
En blijf kijken naar de spin. Kijk naar de poten. Naar het lijfje.
Hoeveel spanning ervaar je nu, tussen 0 en 100?
Waar ervaar je die op dit moment?
Laat het toe. Voel maar.

Ik geef me over aan het proces.
Omer begeleidt me op een warme en to the point-e manier.
Geleidelijk aan neemt de spanning af.
(Dit gaat een blijvende invloed op mijn relatie met spinnen hebben)

De ingrediënten die Omer Van den Bergh gebruikte: [een warme betrokkenheid] + [precieze instructies om te kijken naar wat niet fijn is om naar te kijken & om te denken aan wat niet fijn is om aan te denken & om te voelen wat niet fijn is om te voelen] + [af en toe een instructie om wat spieren lang te maken (= ontspannen)] = therapeutische exposure.

Is dit ook een goeie formule om ons bloot te stellen aan wat naar of pijnlijk is om te zien, denken, voelen in onze contacten met mensen (cliënten)?

Pema Chödrön en rauwheid

In diezelfde jaren 90 ontdek ik Pema Chödrön, een Amerikaanse boeddhistische non en leraar in een Tibetaanse traditie. Voor ze die boeddhistische weg opging had ze al een leven achter de rug.
Ondertussen is ze de 80 gepasseerd.

Zij spreekt vaak over onze verhouding met pijn (bv in ‘Als je wereld instort: adviezen voor moeilijke tijden’)
Zij moedigt aan om het rauwe van pijnlijke gevoelens te durven ervaren, om er open voor te proberen staan, om onszelf ruimte geven om te voelen wat we voelen wanneer dingen niet lopen zoals we willen.
Omdat net het dwangmatig weglopen en vermijden van pijn een belangrijke bron van lijden is.
Denkt ze.

Volgens Pema Chödrön kunnen we beter worden in het toelaten van pijnlijke gevoelens.

We lopen gemakkelijk weg van het voelen van de rauwheid van kwetsbaarheid in ons hart door de ander de schuld te geven.
Of door onszelf een mislukkeling te noemen.

Pijnlijke gevoelens zijn dus misschien ook wel een soort innerlijke spin waar we krampachtig op reageren.

In haar laatste boekje – ’Falen – opnieuw falen – steeds beter falen’ – heeft ze het bv over het gevoel te falen.
Opnieuw een aanmoediging om ons voor dat gevoel open te stellen:

Met jezelf werken op het moment dat je je voelt falen is een beetje zoals het volgen van meditatie-instructies: wees je bewust van je adem die in en uit gaat, blijf bij het gevoel en wanneer je geest afdwaalt, merk het op. Merk op wat je denkt. En kom dan terug. Je merkt het wanneer je geest afdwaalt naar negatieve zelfspraak en verhalen over falen, en je brengt die terug, naar de eigenlijke gevoelens.

Ze lijkt hier wel een Omer-Van-den-Bergh-recept aan te prijzen.
Exposure aan de innerlijke spin.

Makkelijk is het niet om aanwezig te blijven bij zo’n gevoelens. Maar wel mogelijk:

Ik kan dit gevoel ervaren. Ik kan nu even bij dit gevoel blijven, misschien 2 seconden of misschien 4 seconden of misschien zelfs langer.

Haar aanvoelen is dat het tolereren van pijnlijke gevoelens haar toelaat om zich diepgaander te verbinden met mensen.
Omdat je dan niet meer bokkensprongen moet maken om ongemakkelijke gevoelens te ontlopen.
Ook omdat je gaat beseffen dat zovele mensen zulke gevoelens ervaren. Dat het zó verbonden is met mens-zijn en leven.

In deze ruimte – wanneer we geen masker dragen of proberen de omstandigheden te verjagen – beginnen onze beste kwaliteiten te schitteren.

Ook onze beste eigenschappen als hulpverlener?
Zou het zo zijn dat ik me beter kan verbinden met de ander (cliënt) wanneer ik toelaat wat ons contact allemaal oproept en opwoelt bij me?

Ik hoop het.
Soms denk ik het. Dat dit me ondersteunt om de ander niet te verlaten.
Want dat verlaten van de ander (cliënt): dat gebeurt.
Het niet kunnen/durven dragen van pijnlijke gevoelens (of er niet aan denken dat dit een optie is): speelt dat geen rol in het verlaten dat we (soms) doen?
In het omgekeerde-van-verbinden?
Dat denk ik wel.

Dit zegt Andries Baart:

Mensen die hevig lijden kunnen je precies zeggen hoeveel mensen er bij hen weglopen. Ze lopen soms in fysieke zin weg, wanneer ze hun biezen pakken en aan de lijdende geen tijd en energie meer besteden. Maar ze lopen ook in emotionele of overdrachtelijke zin weg, doordat ze ‘raar’ gaan praten (jargonnerig, eufemistisch, afstandelijk, deftig), omdat ze de ander zielig gaan vinden, als onvolwaardig beschouwen of doordat ze niet de lijdende mens maar diens kwaal aandacht geven. En soms lopen ze weg doordat ze ‘hun cliënt’ telkens dwingen een nieuwe therapie of een andere benadering te proberen. Hulp is vaak voorwaardelijk en wie er aanspraak op wil maken, moet aan de voorwaarden van de verstrekker voldoen: netjes spreken en op tijd komen, afkicken, niet zeuren, schulden laten saneren, de woning uitmesten, eindelijk de gewelddadige echtgenoot eruit gooien, afvallen. Hoe verstandig ook, dat kunnen stuk voor stuk ook vormen van verlating zijn. De betrokkenen ervaren dat in elk geval vaak zo. In een goede zorgrelatie worden mensen niet verlaten, ook niet als er ‘voorwaarden’ worden gesteld. Goede hulpverleners kunnen de zorgvrager in zijn waarde laten, doordat ze zelf tegen het lijden kunnen en vooral ook tegen het gevoel (tamelijk) machteloos te zijn, geen ‘definitief goed’ maar hooguit een ‘gebroken goed’ te kunnen bewerkstelligen en omdat ze kunnen leven met het bittere inzicht dat dingen soms definitief kapot zijn en nooit meer goed kunnen komen. In die context wordt er wat anders van hen gevraagd dan succes hebben en scoren; wie toch hooggestemde verbeterdoelen stelt, neemt het risico uiteindelijk hevig teleurgesteld en als een bedrogen minnaar (‘ik heb alles voor je gedaan en zie wat je mij aandoet…’) de ander te verlaten. Doordat ze kunnen omgaan met hun eigen onmacht gaan goede hulpverleners niet met de rug naar de onmacht van andere toe staan.

‘Doordat ze kunnen omgaan met hun eigen onmacht gaan goede hulpverleners niet met de rug naar de onmacht van andere toe staan…’

Ik bel aan.
Gebroken stem door de deurtelefoon.
De voordeur gaat open.
Maria wacht me op, wenend.
82 is ze. Wallen onder de ogen.
Ze schenkt me thee in en geeft me koekjes.
Ze weent bijna de hele tijd. 50 lange minuten lang.
Een lijden dat niet terug te voeren is tot 1, 2 of 3 oorzaken.
Ik weet niet wat ik kan doen.

[Voel maar, Johan.
Nie bang zijn.
Ge moogt da voelen.
Probeer een beetje te ontspannen in dat ellendige gevoel.]


‘Ik wou echt dat ‘k iets kon doen, Maria’.
‘’Kweet het, Johan. Kweet het.’

Johan Van de Putte

PS Hoe doe jij dat, dat verbinden, wanneer onprettige dingen bij je opgeroepen worden?

 

 

Je verbinden met de ander: Yeah but, no but, yeah but, no but …
Getagd op:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *