Je kunt pas weten wat de ander nodig heeft als …
[Als je liever luistert naar dit artikel, klik dan HIER]
Eén aanname van de presentiebenadering – een benadering van goede zorg – is deze:
Je kunt pas weten wat de ander nodig heeft als je je in zijn of haar specifieke situatie verdiept.
Een waarheid als een koe.
Een stevige koe.
Toch geraakt die koe soms uit het zicht.

Top-down

Wij hebben gestudeerd voor ons vak.
Zo hebben wij bij voorbeeld geleerd dat er iets bestaat als PTSS.
We hebben nog dingen geleerd:
  • dat daar een behandeling voor bestaat,
  • dat exposure en EMDR goede behandelingsingrediënten kunnen zijn,
  • dat daar protocollen voor bestaan.
Dan word je geconsulteerd door Emma.
Emma heeft een heel nare levensgebeurtenis meegemaakt.
Haar leven is sindsdien niet meer hetzelfde.
Dat betreurt ze.
We luisteren naar Emma.
(Ondertussen draaien onze radertjes: ‘PTSS => behandeling => exposure/emdr => protocollen’.)
We ervaren Emma als een voorbeeld van een PTSS-cliënt.
(We hebben er nog zo gekend, andere weliswaar maar we herkennen het typische.)
Dus stellen we onze inzichten en oplossing aan Emma voor.
Een collega-psychotherapeut benoemde dit laatst als een soort top-down tewerk gaan: je vertrekt vanuit ‘het algemene’ en je gaat richting ‘het specifieke’:
  • Top = het algemene = een bestaand pakket van kennis/kunnen
  • Down = het/de specifieke = Emma
  • Wij = bekwame top-down-uitvoerders
(Waar is de koe? Zie je ze nog? Is ze al uit het zicht?)

Wie is Emma?

Maar:
Wie is Emma?
(En wie zijn wij?)
Is zij slechts een voorbeeld?
(In dit geval: een voorbeeld van PTSS of van een PTSS-patiënt?)
Zijn wij ook maar voorbeelden?
(In dit geval: van psychotherapeuten?)
Is het haar taak om een voorbeeld te blijven of een voorbeeldige cliënt te worden?
Is het onze taak om een voorbeeldige psychotherapeut te zijn?
(Op straffe van falen?)
(En welk voorbeeld moeten we volgen?)
(Waar is de koe!?)

‘Meer bottom-up’

Mijn collega-psychotherapeut (die van daarnet) beschreef ook momenten in het contact met een cliënt waarbij je een en al oor en hart bent.
Dit soort (een-en-al-oor-en-hart-) betrokkenheid schurkt dicht aan bij het eigene en de particulariteiten van de ander en haar verhaal.
Bij het particuliere ook van het contact terwijl het aan het plaatsvinden is.
Dan vallen er je dingen in.
(Je had ze niet kunnen voorspellen.)
Een gedachte.
Een herinnering.
Een neiging.
Een vraag.
De bron ervan?
Soms kan je die traceren: iets dat je geleerd hebt of een gesprek met iemand anders, een persoonlijke ervaring.
Soms weet je het niet.
‘Meer bottom-up’
Zo omschreef mijn collega haar insteek op deze momenten.
Dat dit fijne momenten zijn in ons werk, daar waren we het over eens.
En ook kwalitatieve.
De kwaliteit(en) die zich dan ontplooien, hebben niks te zien met een strak-trachten-toepassen van een richtlijn of methodiek of protocol.
Emma – van ‘waar is Emma?’ – is op zo’n momenten … meer in de buurt.
(Een levende, nooit-helemaal-te-vatten Emma)
(Niet de Emma-als-voorbeeld-van-iets)
Wij, psychosociale hulpverleners, zijn dan ook meer in de buurt.
(Als levend, ook door onszelf niet-helemaal-te-vatten, organisme)
(En niet de hulpverleners-als-voorbeelden-van-hulpverleners)

In haar specifieke situatie

Nu hebben we ze terug, de koe, de waarheid van
je kan maar tot goede zorg komen als je je verdiept in de specifieke situatie van Emma.
Dat is het ‘aansluiten-aansluiten-aansluiten’ van de presentiebenadering.
(Het ‘3A-model’, zo noemde een andere collega dit laatst.)
Aansluiten bij wie?
Bij Emma.
Bij wat van Emma?
Bij voorbeeld bij haar persoon.
Bij voorbeeld bij haar leefwereld.
Bij voorbeeld bij haar levensloop.
Bij voorbeeld bij haar Emma-redelijkheid.
(Er zijn nog meer Emma-aspecten waar we – zo zeggen de presentie-beoefenaars – bij kunnen aansluiten.)
Zo geraken we dichter bij Emma.
In dat aansluiten bij deze (levende en heel eigen) Emma mag alle opgeslagen kennis opkomen en neerdalen.
Opkomen en neerdalen.
(Zonder dat Emma en wij gereduceerd worden tot een voorbeeld.)
Zo komen we misschien tot wijze keuzes, die Emma ervaart als goede zorg.
(Waarbij wij onszelf óók ervaren als vitale hulpverleners/mensen met allerlei eigenheden ipv als succesvolle of (dreigend) tekortschietende uitvoerders/pionnen.)
Vriendelijke groet,
Johan Van de Putte
Je kunt pas weten wat de ander nodig heeft als …

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *